Overslaan en naar de algemene inhoud gaan

Haal het maximale uit je leesclubbijeenkomsten!

‘Als we gaan rouleren, ga ik eraf’

Samen verantwoordelijk voor functioneren leeskring

Veel leeskringen functioneren jaren achtereen tot ieders tevredenheid. Boekenkeuze, verloop van het gesprek, de rol van de voorzitter: alles loopt naar wens. Toch is zo’n ideale situatie niet vanzelfsprekend. En misschien is die tevredenheid slechts schijn en is praten over wat je niet goed vindt gaan in je groep heel lastig.

Een van de belangrijkste factoren voor het goed laten verlopen van ieder groepsproces is eensgezindheid over de doelstelling. Een inkopper natuurlijk, maar zo vanzelfsprekend dat het weleens vergeten wordt. Je zult in je leeskring moeten bepalen waarom je bij elkaar zit: ligt de nadruk op romananalyse, op het praten over de eigen leeservaring of is het sociale aspect, de gezelligheid, het meest belangrijk. Verder is het goed om na te denken over de groepsgrootte en de taakverdeling. Een al vaak gegeven praktisch advies ten aanzien van dit laatste punt: zorg dat de rol van gespreksleider en die van gastvrouw/-heer niet bij een en dezelfde persoon ligt.

Er zijn meer taken die verdeeld moeten worden. Zo verdient het aanbeveling om de voorzitter vooral de rol van technisch voorzitter te laten vervullen: een gespreksleider die het proces begeleidt en stuurt, maar die niet zelf uitgebreid een inleiding geeft op leven en werk van de auteur. Maak afspraken over wie op zoek gaat naar informatie, wie naar een eventuele informatieavond of lezing gaat en wie wat discussievragen verzint, zodat de voorzitter zich vooral kan concentreren op het goed laten verlopen van het gesprek. Hou als voorzitter wel wat ‘prikkelende stellingen’ achter de hand om de discussie zo nodig vlot te trekken.


Zelfvertrouwen
‘Ze verwachten alles van mij, zien me als een schooljuffrouw: vertel maar, wij luisteren.’ Begeleiders van leesclubs krijgen wel eens te maken met leden die zich zo opstellen. Ook om dergelijk eenrichtingsverkeer te voorkomen, is het maken van afspraken over taakverdeling noodzakelijk. Dat kan op weerstanden stuiten. Zo meldde één deelneemster ooit dat een poging om te komen tot een roulerend voorzitterschap behoorlijk wat problemen had opgeleverd. ‘Als we gaan rouleren, ga ik eraf’, was de reactie geweest van een wel erg onwillig leeskringlid. Daarmee komen we aan het punt van de houding van de deelnemers. Een dergelijke negatieve reactie kan vooral voortkomen uit een gebrek aan zelfvertrouwen, meer dan uit onwil.

Onzekerheid over de eigen ‘deskundigheid’ lijkt leeskringleden vaker parten te spelen. ‘Ik sluit me bij de vorige spreekster aan’ en: ‘Anderen kunnen het beter onder woorden brengen’ zijn standaardreacties die daar op kunnen duiden. In zijn lezing op de Landelijke Leeskring Manifestatie van 2001 stak wijlen Aad Nuis de onzekere lezer een hart onder de riem: ‘U bent geen literatuurwetenschappers, u bent lezers, u mag alles, als u er maar wijzer van wordt’.

Dat betekent niet dat rücksichtslos over bezwaren tegen een verdeling van taken heengestapt moet worden. Probeer, eventueel met kleine stapjes, mensen ertoe te bewegen zich actief met de voorbereiding en het verloop van de bijeenkomst bezig te houden. Werk bijvoorbeeld in groepjes aan het zoeken naar informatie over de auteur of aan het bedenken van stellingen en discussievragen. Het uiteindelijke doel: als begeleider een stapje terug kunnen doen.

Prioriteiten stellen
Al zijn de taken verdeeld en is iedereen bereid een bijdrage te leveren, dan nog is een geslaagde bijeenkomst niet gegarandeerd. Zeker zo belangrijk is om als begeleider (maar ook als leeskring in het algemeen) een duidelijk plan voor ogen te hebben voor wat betreft de structuur van het gesprek. Er zijn meerdere wegen die naar Rome leiden, maar ook over de te volgen weg zijn afspraken te maken. Zo kun je vaststellen dat je aan het begin van elke bijeenkomst de prioriteiten bepaalt van zaken die aan de orde moeten komen (en je vervolgens ook aan de afgesproken volgorde houden). Het voordeel hiervan boven het aanhouden van een vaste volgorde is dat je kunt inspelen op de mogelijkheden die het te bespreken boek biedt. Voor het maken van dergelijke keuzes is het weer van belang dat ook de deelnemers zich voorbereiden op de leeskringbijeenkomst. Door na te denken over de prioriteiten, door discussievragen te verzinnen of bepaalde passages te noteren.

Een veelgebruikte methode om een bijeenkomst te openen is het meningenrondje. Dat kan heel goed gaan, maar zo’n rondje kan doodbloeden, als de laatsten in de rij melden dat alles al gezegd is door hun voorgangers. Een wat andere aanpak: een tweevoudig cijferrondje, waarbij de leeskringleden hun eigen waardering voor het boek aangeven, maar daarnaast met een cijfer aanduiden hoe zij de discussiemogelijkheden beoordelen. De gespreksleider kan zo snel zien hoe de meningen verdeeld zijn en vervolgens met gerichte vragen aan mensen met verschillende meningen het gesprek enigszins sturen.

Dan is er nog de (vaak door de bibliotheek geleverde) achtergrondinformatie. Ontvangt iedereen die vooraf, gaat deze naar degenen die de informatie over de auteur verzamelen, geef je de informatie achteraf pas mee of hou je de documentatie als gespreksleider bij de hand om het gesprek van nieuwe impulsen te voorzien als dat nodig is? Opnieuw een zaak die het verdient gezamenlijk besproken en uitgeprobeerd te worden.

‘Een mooi boek’
Je mening geven over een boek kan lastig zijn, met als gevolg dat je blijft steken bij algemene aanduidingen als ‘Een mooi boek’. Om de bijeenkomst bevredigend te laten verlopen, is het zaak om te proberen invulling te geven aan zo’n algemene uitspraak. Het vaststellen van wat je gaat bespreken kan daarbij helpen, evenals het stellen van gerichte vragen door een gespreksleider.

Over boeken die je persoonlijk raken is het niet altijd even makkelijk praten en daarom is het van belang dat de leeskring voor alle deelnemers een plaats is waar ze zich op hun gemak voelen. Aan de gespreksleider de taak om indien nodig door gerichte vragen de deelnemers hun gedachten te laten formuleren over waarom ze een boek mooi vinden. Heeft dat te maken met literaire aspecten, met het maatschappelijk relevante thema of met de herkenbaarheid?

Zwijgers en veelpraters
De mate waarin deelnemers zich in een leeskring op hun gemak voelen, heeft invloed op hun bijdrage. Als gespreksleider krijg je zowel te maken met leden die vlot van de tongriem zijn gesneden en graag hun mening geven als met meer terughoudende, bedachtzame deelnemers. Wanneer de begeleider zich echt kan concentreren op de rol van technisch voorzitter, kan hij/zij zich allereerst meer rekenschap geven van de non-verbale signalen. De bescheiden deelneemster die wat voorover buigt en zo de indruk wekt wat te willen zeggen, het wat zuchtende en fronsende lid dat lijkt af te haken: beiden wil je als gespreksleider bij de discussie houden.

Dwing de schuchtere deelnemer niet tot een plotselinge coming out door een directe en heel algemene vraag naar de gevoelens die het boek opriep, maar kies in eerste instantie voor meer gerichte vragen als ‘Vind je de hoofdpersoon sympathiek’ of voor vragen die de aangesprokene laten reageren op de mening van een ander: ‘Ben je het eens met de stelling dat eenzaamheid het belangrijkste thema is van dit boek?’ De gespreksleider kan de stille of onzekere deelnemer stimuleren door terug te grijpen op iets dat deze heeft gezegd.

Het tegenovergestelde komt ook voor: een deelnemer die nauwelijks tot zwijgen te brengen is. Als gespreksleider kun je zo iemand als laatste het woord geven of zijn inbreng kort samenvatten, om te laten zien dat het beknopter kon. Is van tevoren bekend dat een deelnemer zich zeer verbonden voelt met het boek of kennis heeft van het thema en daar graag over wil vertellen, spreek dan af dat hij tijdens de bijeenkomst de inleiding zal verzorgen (waarvan de lengte vooraf wordt afgesproken).

Evalueren
Het kan gebeuren: een discussie loopt niet en een bijeenkomst die om twee uur begon dreigt voor drieën afgelopen te zijn. Als gespreksleider kun je er maar beter op voorbereid zijn. En het mooiste is natuurlijk als de deelnemers ook rekening houden met die mogelijkheid. Wanneer alle vragen die de gespreksleider achter de hand had, behandeld zijn en aansprekende fragmenten zijn voorgelezen en besproken, kan het nodig zijn een konijn uit de hoed te toveren. Daarbij valt te denken aan het lezen en bespreken van een gedicht dat verband houdt met het besproken boek, of aan het attenderen op literaire actualiteiten. Ook een uitstapje naar bijvoorbeeld de verfilming van een boek of het bekijken van een video is een mogelijkheid. Een aardige uitsmijter kan een literaire quiz zijn. En waarom zou je niet als leeskring je eigen Top 10 samenstellen? Of, zoals al incidenteel gebeurt, een website over je gezamenlijke leesavonturen bijhouden?

Neem de tijd om met elkaar afspraken te maken over doelstelling en werkwijze. Daaruit vloeit logisch voort dat je op gezette tijden ook nagaat of de afspraken nog voldoen. Zo’n evaluatie moet niet uit de lucht komen vallen voor de deelnemers aan de leeskring. Kondig deze op de voorafgaande bijeenkomst aan en vraag iedereen na te denken over de gang van zaken, bij voorkeur aan de hand van vragen naar titelkeuze, opbouw van de discussies, oordeel over documentatie, rol van de gespreksleider, enzovoort. Durf zaken ter discussie te stellen en nieuwe wegen in te slaan, informeer bij andere leeskringen en leer van elkaar. Vastroesten is te voorkomen door goed overleg!

Tekst Frank Hockx
Illustratie Elly Hees

Bewerking van een artikel uit Boek-delen, 2004 nummer 2